Bore (noun)

Jump to navigation Jump to search

English[edit | edit source]

  • bore

Oxforddictionaries.com[edit | edit source]

bore =
1. The hollow part inside a gun barrel or other tube.
1.1 [OFTEN IN COMBINATION] The diameter of a bore; the calibre: ‘a small-bore rifle’ (synonyms: calibre, diameter, gauge)
1.2 [IN COMBINATION] A gun of a specified bore: ‘he shot a guard in the leg with a twelve-bore’
2. Short for borehole (synonyms: hole, well, shaft, pit, passage, tunnel)

Dutch[edit | edit source]

  1. binnendiameter
  2. binnenwerkse maat (van buizen)
  3. boor
  4. boorgat; geboord gat, boring [HYDROL., CIV.ENG.]; put (mijnwezen)
  5. boren
  6. boring (diameter) [AUTOMOT.]
  7. diameter (van cilinder)
  8. doorlaat (boorgat)
  9. gat (boorgat)
  10. geboord gat
  11. kaliber (boring van een loop van geweer)
  12. diameter, boring (van een cilinder) [kaliber]
  13. kaliber (middellijn)
  14. kotteren
  15. kottergat
  16. naboren (uitkotteren)
  17. opboren
  18. slaan (van een bron) [MIN.]
  19. uitdraaien [MACH.]
  20. ziel (het inwendige (v.e. vuurwapen)
  21. bore, getijdegolf [(hoge) vloedgolf]
  22. droogstoppel / pruim, zeur(piet / kous), ouwehoer [(pejoratief) vervelend persoon]
  23. saaie boel, gezanik [(informeel) vervelend iets]